Naar thuispagina
Dit wordt hét verhaal
over dé geschiedenis van het Noordeinde, dé winkelstraat van Den Haag.
Noordeinde
De straat draagt deze naam omdat hij ligt in de richting van de Noordzee,
voor de Hagenaar het noorden. Tot de bestrating in 1561 was de weg een moerasig pad. In 1880 werd een deel van de straat (als een van de eerste) geasfalteerd door middel van blokken hout voorzien van een asfaltlaag. Dat gebeurde voor de Waalse kerk om zo het 'hinderlijk
gedruis' van de koetsen op te heffen. Aan de straat ligt het Oude Hof,
thans bekend als Paleis Noordeinde, aan de Paleisstraat.

Paleis
Noordeinde
De naam Paleisstraat is ontleend aan het koninklijk paleis in het Noordeinde,
ookwel oudehof. Het gebouw werd in 1553 gebouwd door Willem Damas Goudt,
de rentmeester bij het Hof van Holland. Het gebouw lag toen aan de buitenste
rand van de stad. In 1590 huurde de Staten het voor Louise de Coligny,
de weduwe van Willem de Zwijger. In 1640 werd het gebouw ingrijpend verbouwd
door de architecten Jacob van Campen en Pieter Post. Tijdens de Franse
tijd is het gebouw sterk verwaarloosd, maar het werd door koning Willem
I hersteld en uitgebreid. Tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog
werd het onafgebroken bewoond door regerende Oranjevorsten. Koningin Juliana
prefereerde het Paleis Soestdijk boven het Paleis Noordeinde, waardoor
het ter beschikking werd gesteld aan het 'Institute of Social Studies'.
Enkele jaren was het gebouw in restauratie om in 1985 het werkpaleis van
koningin Beatrix te worden.
De
Haagse Beek
Oorspronkelijk
stroomde er een beek langs de voorkant van de huizen aan de oostkant van
het Noordeinde. Tegenwoordig bevind de Haagse Beek zich onder de winkels.
Tussen de Spuistraat en de Poten lag de Kapelsbrug; daarachter kwam de
Beek via een sluisje uit in het Spui. Sommige huizen waren door middel
van bruggetjes verbonden met de straat of met de tuintjes die ervoor lagen,
andere waren over de Beek gebouwd. Naarmate de huizen aan het Noordeinde
in de loop der eeuwen vernieuwd werden, kwam dat laatste verschijnsel
steeds meer voor.
De huiseigenaren hadden daar op twee manieren voordeel van.
Ten eerste konden zij op die manier hun huizen vergroten en ten tweede
konden zij het vuile water onzichtbaar op de Beek laten lozen.
De overheid die in de
middeleeuwen de zeggenschap over de Beek had, werd gevormd door de graaf
zelf en zijn ambtenaren. Een voorbeeld van het grafelijke ingrijpen is
ook te lezen in de oorkonde die de Raden van Holland, Zeeland en West-Friesland
namens Philips de Schone in 1498 uitvaardigden. Zij schreven dat de Beek
ten gerieve van Philips en zijn voorvaderen was gegraven en namen het
niet dat de bewoners van het Achterom vervorederen (het wagen)
de Beecke ende 't waeter, mijnen genadighen Heere toebehorende (...) te bepooten mit
boomen, erven achter haer huyssen te maecken in deselve Beecke, Het waeter
van denselven Beecke behoort zijnen vrijen loop te hebben sonder eenige
stoppinge daerinne te doene ofte maecken in eenigher manieren.
info@noordeinde.net
|